Historie Catharinadal
Geschiedenis van St. Catharinadal (1271–1950)
Gebaseerd op de publicatie 'Het klooster Sint-Catharinadal' in Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek in Breda 2, Breda 1995.
Aangevuld en bewerkt door Frans Gooskens.
Samenvatting inhoud
Op deze webpagina's wordt de geschiedenis beschreven van het Norbertinessenklooster Catharinadal. Het klooster is gesticht in 1271 in Wouw bij Roosendaal, maar was van het begin af zeer nauw verbonden met de Heren van Breda. Na een overstroming was het vrij vanzelfsprekend dat Breda in 1295 de nieuwe vestigingsplaats zou worden. Het klooster bleef te Breda gevestigd tot 1647. Onder druk van het protestantse deel van de stad vertrokken de zusters naar Oosterhout, waar zij onder de protectie van de Nassau's tot op heden zijn gebleven.
Wat is er bijzonder aan de historie van dit klooster:
- De continuïteit: het klooster overleefde een grote kloosterhervorming rond 1463, de protestantse tijd en de Franse tijd.
- Er is een rijk kloosterarchief met vele oorkonden en registers.
- De gebouwen zijn grotendeels bewaard gebleven — in Breda als kloosterkazerne, in Oosterhout als bewoond complex.
In 1993 en 1994 vond een grootschalig archeologisch onderzoek plaats in en rondom de kloosterkazerne te Breda. Aanleiding was de bouw van het Chassé Theater op een deel van het oude kloostercomplex. Naast het archeologisch onderzoek vond ook een uitgebreid bouwhistorisch en historisch onderzoek plaats.
De tweede pijler voor de kloosterhistorie is de uitgave van het necrologium. Dit document, in de vorm van een kalender, bevat de namen van personen die een band hadden met het klooster — als weldoener of als bewoner. Het loopt van de stichting tot aan 1950: opnieuw een goed voorbeeld van continuïteit.De volgelingen van Norbertus van Gennep
Voorspel
Sint-Catharinadal in Breda was een vrouwenklooster dat behoorde aan de orde van de norbertijnen. Een kloostergemeenschap bestaat uit een groep mannen of vrouwen die hun leven aan God hebben gewijd. In meer of mindere mate afgesloten van de buitenwereld leven zij samen op één plaats: het klooster (van het Latijnse claustrum = afgesloten plaats). Het christelijke kloosterwezen stamt feitelijk uit het Egypte van de 3de eeuw. Gelovigen trokken zich toen terug in de woestijn om in ascese te leven. De bekendste kluizenaar was de heilige Antonius (ca. 250–356).De kluizenaars groepeerden zich in de loop der tijd en stelden leefregels op. Later werden deze regels in West-Europa aangepast door Benedictus van Nursia (gestorven 543), die op Monte Cassino in Italië een gemeenschap van monniken stichtte. Zo ontstond de Regel van Benedictus. In de Regel van Benedictus worden drie belangrijke geloften voorgeschreven: absolute gehoorzaamheid aan de abt, kuisheid en armoede (het opgeven van privébezit). De drie geloften vormen de grondslag voor vrijwel alle latere westerse kloosterregels. (Zie voor een goede inleiding: Southern 1970).
Tot in de 11de eeuw volgden praktisch alle kloosters in West-Europa de Regel van Benedictus. Dit gold ook voor de oudste kloosters in het huidige België (Sint-Pieter en Sint-Baafs te Gent, abdij van Sint-Truiden) en Nederland (Susteren, gesticht in 714; Thorn, gesticht in 992; Egmond, gesticht in de 10de eeuw). Bij de vroege kloosterstichtingen waren locale machthebbers nauw betrokken. Zo onderhielden het klooster van Egmond en dat van Rijnsburg (gesticht in 1133) nauwe contacten met de graven van Holland. In beide kloosters hebben leden van het grafelijk huis hun laatste rustplaats gevonden.Neergang Benedictijnen
Het resultaat van dit alles was dat vele benedictijnenkloosters schatrijk werden. Kostbare kunstwerken sierden het interieur en verscheidene kloosters hielden er een aristocratische levenswijze op na. "Er wordt zo verfijnd gekookt dat ze vijf gangen aankunnen", schrijft Bernardus van Clairvaux over het benedictijnenklooster Cluny. Hij vervolgt: "… en dan de kleren. Dat is geen bescherming meer tegen naaktheid en koude, maar pure versiering." (Citaat ontleend aan: Rijksmuseum 1984).
Met Bernardus van Clairvaux vonden ook anderen dat door de rijkdom een geestelijke verslapping binnen de orde was opgetreden. Als reactie ontstonden aan het einde van de 11de en in de 12de eeuw drie nieuwe kloosterorden: de kartuizers, de cisterciënzers en de augustijnerkanunniken.Opvolgers Benedictijnen — Cisterciënzers
Een van de eerste nieuwe orden is die van de kartuizers, voortgekomen uit een kluizenaarsgemeenschap gesticht in 1083 door Bruno van Keulen in La Grande Chartreuse (bij Grenoble). De strenge, geïsoleerde levenswijze was echter niet voor iedereen geschikt. Daarom stichtte Robert van Molesmes in 1098 een klooster te Citeaux bij Dijon — de bakermat van de cisterciënzers. Vooral onder abt Bernardus van Clairvaux (1090–1153) kwam deze orde tot grote bloei.
De cisterciënzers volgden weliswaar de Regel van Benedictus, maar legden sterk de nadruk op het armoede-ideaal. Zij weigerden giften aan het klooster, behalve woeste, onbebouwde grond. Zij vestigden zich op enige afstand van steden en kastelen en hebben in grote delen van Europa veel woeste gronden ontgonnen en bedijkt. Voor lichamelijke arbeid schakelden de cisterciënzers lekebroeders of conversi in — in zekere zin "tweederangs" monniken. Ze hadden de geloften afgelegd, maar waren geen priester. Het aannemen van conversen heeft ook andere orden, waaronder de norbertijnen, beïnvloed.Augustijnen
De augustijnerkanunniken vormden de derde kloosterorde die in de 11de eeuw ontstond als reactie op de verwekelijking van de benedictijnerorde. Ze kozen ervoor om te leven volgens de voorschriften van de kerkvader Augustinus (354–430). Augustinus had in een brief richtlijnen gegeven aan een groep vrouwen die een vroom, gemeenschappelijk leven wilden leiden. Deze algemene richtlijnen werden door de augustijnerkanunniken als een regel (canon) geïnterpreteerd.
In tegenstelling tot de seculiere kanunniken legden de reguliere augustijnerkanunniken de gelofte van armoede af. De Regel van Augustinus werd in de 11de eeuw verder uitgewerkt tot een echt kloosterstatuut, de zogeheten regula secunda, en door pausen aanbevolen aan kloostergemeenschappen. Binnen de augustijnerorde ontstonden geleidelijk verscheidene kloostergroeperingen. Een daarvan is gevormd rond het klooster van Prémontré nabij het Franse Laon, gesticht in 1120 door Norbertus van Gennep. De volgelingen van zijn Regel staan bekend als premonstratenzers of norbertijnen.De norbertijnen
De norbertijnen groeiden in de 12de eeuw uit tot een van de meest succesvolle kloosterorden, met vestigingen door heel Europa — van Spanje tot Scandinavië en van Ierland tot Palestina. (Zie voor een overzicht: Bond 1993.) De stichter Norbertus van Gennep (geboren tussen 1080 en 1085) was een zoon van de heer van Gennep. Hij kreeg zijn opleiding aan het hof van aartsbisschop Frederik van Keulen en werd later aalmoezenier aan het hof van keizer Hendrik V (1106–1125).Stichting Prémontré
Na enige omzwervingen kwam Norbertus in contact met de bisschop van Laon, die hem grond schonk bij Prémontré. Daar stichtte Norbertus in 1120 met 13 volgelingen een klooster. Met Kerstmis 1121 telde de gemeenschap al 40 kanunniken en enkele conversen. Hoewel de norbertijnen de Regel van Augustinus volgden, kozen ze voor de interne organisatie het model van de cisterciënzers. Eenvoud, soberheid, isolement en lichamelijke arbeid stonden hoog in het vaandel. Toch richtten ze zich ook op prediking en zielzorg.
Op aandrang van keizer Lotharius II verliet Norbertus Prémontré in 1126 en werd aartsbisschop van Maagdenburg. Deze stad was de uitvalsbasis voor de kerstening van Oost-Europa, en Norbertus droeg daar actief aan bij. Hij stierf op 6 juni 1134. In 1128 volgde Hugo van Fosses hem op als abt. Hugo introduceerde het cisterciënzer systeem van visitaties. De norbertijnenkloosters werden later ingedeeld in bestuurlijke gewesten (circariae), elk met eigen visiterende abten die rapporteerden aan het Generaal Kapittel.
Vrouwen in de orde
De norbertijnenkloosters konden bevolkt worden door mannen, vrouwen of door beide seksen. In het laatste geval was sprake van een dubbelklooster: mannen en vrouwen woonden in één kloostergebouw — gescheiden, maar economisch en bestuurlijk een eenheid.
De norbertijnerorde stelde zich aanvankelijk nadrukkelijk open voor vrouwen. Een kanunnik van Prémontré meldt rond het midden van de 12de eeuw dat ten minste 10.000 nonnen in de orde waren opgenomen. Hoewel dit ongetwijfeld overdreven is, geeft het aan dat vrouwen massaal toetraden.
De 13de eeuw gaf een explosieve groei van vrouwengemeenschappen te zien — niet alleen bij de norbertijnen, maar ook bij cisterciënzers en de bedelorden. Ook begijnen zagen hun aantallen sterk toenemen. Mogelijk is het vrouwenoverschot in die tijd een verklaring, al ontbreken harde cijfers. (Milis 1982).
Afschaffen dubbelkloosters
In de loop van de 12de eeuw sloeg het geestelijke klimaat om. Steeds vaker werd gewezen op het gevaar van zedeloosheid bij het samenwonen van nonnen en monniken. In 1137 en 1140 besloot de norbertijnerorde dat voortaan geen dubbelkloosters meer gesticht zouden worden. De nonnen uit bestaande dubbelkloosters werden ondergebracht in aparte priorijen, afhankelijk van een abdij. Zo zijn verscheidene norbertinessenkloosters ontstaan. Aan het einde van de 12de eeuw besloot het Generaal Kapittel ook dat geen vrouwen meer aangenomen mochten worden in de oude abdijen.
Zelfstandige vrouwenkloosters werden vaak door buitenstaanders gesticht. Voorbeelden zijn Lelindaal bij Mechelen (ca. 1235) en Koningsveld bij Delft (1251). Sint-Catharinadal was ook een nieuwe stichting, maar nam vermoedelijk nonnen op uit het klooster te Zandvliet, dat door ontdubbeling was ontstaan. In de Lage Landen werden al snel na Prémontré kloosters gesticht: Floreffe (bij Luik, 1122), Sint-Michiels te Antwerpen (1124), Tongerlo (1130), Averbode (1134–35) en Park bij Leuven (1128). In Noord-Brabant vestigden de norbertijnen zich voor het eerst te Berne (bij Heusden, 1134).
De snelle uitbreiding was niet zozeer het gevolg van een bewust beleid, maar van de sociaal-politieke situatie. Lokale machthebbers stimuleerden de stichting van kloosters om hun politieke macht te consolideren. De hertog van Brabant was bijvoorbeeld voogd over de abdijen van Tongerlo en Postel. (Theuws 1989, p. 197).
Overzicht van stichtingen van norbertijnenkloosters in de Nederlanden
Stichtingsdata (vóór 1300) van norbertijnen- en norbertinessenkloosters in de Nederlanden. De gegevens zijn ontleend aan: Backmund 1949–1956 en Bond 1993.BB = circarie Brabant (Belgisch deel) · BN = circarie Brabant (Nederlands deel) · F = circarie Friesland · V = circarie Vlaanderen · W = circarie Westfalen
| Plaats | Stichtingsdatum | Circarie |
|---|---|---|
| Antwerpen | 1124 | BB |
| Grimbergen | 1128 | BB |
| Park (bij Leuven) | 1128 | BB |
| Middelburg | 1128 | BN |
| Gempe | 1129 | BB |
| Mariënweerd | 1129 | BN |
| Tongerloo | 1130 | BB |
| Averbode | 1134 | BB |
| Berne | 1134 | BN |
| Woerd (Altforst) | ca. 1135 | BN |
| Postel | 1135 | BB |
| Veurne (St. Nicolaas) | 1135 | BB |
| Ninove | 1137 | BB |
| Peteghem | na 1137 | |
| Drongen | 1138 | V |
| Nieuwenrode | 1133–1139 | BB |
| Dieleghem | 1140 | BB |
| Tusschenbeek | 1148 | V |
| Mariëngaarde | 1163 | F |
| Dokkum | na 1163 | F |
| Eeuwen | 1141–1167 | BB |
| Hoftenvrouwen | 1176–1179 | V |
| Bethlehem (Oudkerk) | 1170 | F |
| Deventer | voor 1180 | W |
| Tzjummarum | 1182 | F |
| Bajum | ca. 1186 | F |
| Lidlum | voor 1187 | F |
| Pamel | 1188 | BB |
| Dokkum | voor 1200 | F |
| Keizersbosch | ca. 1200 | BN |
| Houthem | 1201 | W |
| Kusemer | ca. 1204 | F |
| Olde-/Nijeklooster | ca. 1204 | F |
| Palmar | ca. 1204 | F |
| Schildwolde | ca. 1204 | F |
| Wittewierum | 1204–1209 | F |
| Zennewijnen | 1214 | BN |
| Serooskerke | 1215 | BN |
| Heiligerlee | 1223 | F |
| Mechelen | ca. 1233 | BB |
| Gerkesklooster | 1244 | F |
| Buweklooster | ca. 1250 | F |
| Delft | 1251 | BN |
| Zandvliet | 1254 | BB |
| Wouw/Breda | 1271 | BN |
| Veenklooster | 1235–1287 | F |
| Vinea Domini/'t Zand | 1235–1287 | F |
Stichting te Wouw, 1271
De norbertinessen van Sint-Catharinadal waren oorspronkelijk gevestigd in Wouw, een plaats ten westen van Roosendaal. Het klooster werd rond 1270 gesticht en was een van de vroegste kloosters in Noordwest-Brabant. De streek tussen Roosendaal en Bergen op Zoom was lange tijd een drassig gebied met moerasbossen en hoogvenen. Pas in de tweede helft van de 13e eeuw was hier bewoning mogelijk. Wouw en zijn directe omgeving vormen hierop een uitzondering. (Leenders 1993)
Rond 1300 woonden in Wouw en directe omgeving naar schatting 3000 mensen. Naast het klooster bezat Wouw een kerk en een kasteel, toebehorend aan de heren van Breda. Het klooster zelf heeft mogelijk gelegen op een verhoging ten noordoosten van het gehucht Vroenhout, aan de Holdenbergesestraat — in de buurt van een boerderij die nog steeds 'Sint Catharinadal' heet.
Wouw viel onder het ambtsgebied van de bisschop van Luik. Namens deze bisschop werd op 10 januari 1271 de kloosterkerk ingewijd door Petrus, wijbisschop van Odense (Denemarken). Vreemd genoeg had het klooster op dat ogenblik twee kerkhoven. In het altaar werden relieken geplaatst van onder anderen de apostelen Petrus en Bartholomeus en van Sint Pancratius.
Servatius, de stichter
Het klooster Sint-Catharinadal werd gesticht door Servatius van Breda. Over zijn achtergrond is weinig met zekerheid bekend. Hij was niet van adel, maar moet vermogend zijn geweest en verkeerde in kringen van de heren van Breda. Servatius werd in akten aangeduid als dienaar van Hendrik V, heer van Breda tussen 1254 en 1268. Ook diens opvolger Arnold van Leuven (1269–1287) werkte met hem samen. Daarnaast had Servatius relaties met de hertog van Brabant; in 1273 verkocht hij namens de hertog gronden aan de Sint-Bernardsabdij.
Gelet op zijn relatie met de heren van Breda is het niet onwaarschijnlijk dat Servatius een stroman was bij de stichting. In elk geval toonde Breda van het begin af meer dan gewone belangstelling. Op 6 juli 1271 namen Arnold van Leuven en zijn vrouw Elisabeth van Breda het klooster plechtig onder hun bescherming 'tot vergeving van onze zonden en tot zieleheil van onze voorvaderen'.
Zij verleenden het klooster ook vrijstelling van de jaarlijkse lasten op de gronden. De belangstelling van de heren van Breda zal niet alleen religieus van aard zijn geweest — de stichting van kloosters was ook een middel om politieke macht te consolideren. Volgens de overlevering stichtte Servatius het klooster voor zijn zeven dochters, van wie de oudste Catharina heette. Vele eeuwen werd hij op 1 april herdacht als stichter, samen met zijn vrouw Ymezoete en zijn zoon Victor. Deze gegevens komen echter niet uit eigentijdse bronnen en worden pas aan het einde van de 17e eeuw vermeld door proost Van der Malen.
Dubbelklooster?
De incorporatie-akte vermeldt dat bij de toetreding tot de norbertijnenorde reeds een aantal norbertinessen in het klooster aanwezig was. Waarschijnlijk waren deze zusters van elders afkomstig — mogelijk uit het nonnenklooster van Zandvliet, een voormalige priorij van de Sint-Michielsabdij te Antwerpen. Het norbertijnenklooster Sint-Michiels te Antwerpen was gesticht in 1124 als dubbelklooster. In 1254 werd de vrouwenafdeling verplaatst naar Zandvliet ten noorden van Antwerpen. De nonnen leidden daar vermoedelijk een noodlijdend bestaan en lieten nauwelijks schriftelijke sporen na.
In mei 1271 — kort nadat de kerk van Sint-Catharinadal was gewijd — ontving de heer van Breda geld van de abt van Sint-Michiels, in ruil voor erkenning van eigendomsrechten in Zandvliet. Servatius trad daarbij op als getuige. Het is niet onwaarschijnlijk dat de nonnen van Zandvliet bij die gelegenheid door de heer van Breda werden 'overgenomen' en in het nieuwe klooster bij Wouw werden ondergebracht.
Opname in de orde
Na de inwijding reisde Servatius in oktober 1271 naar Prémontré om het Generaal Kapittel te verzoeken zijn stichting officieel op te nemen in de orde. De aanwezige abten keurden zijn verzoek goed. Er werd bepaald dat de abt van Prémontré toezicht zou houden op het klooster — in de praktijk gedaan door zijn vertegenwoordiger, de proost. Aangezien Servatius een groot deel van zijn bezittingen aan het klooster had geschonken, mocht hij tot aan zijn dood de goederen beheren.
Kloosterorganisatie
De kloosterzusters kozen uit hun midden een priorin, die de dagelijkse leiding had, bijgestaan door een subpriorin. In belangrijke zaken werd de priorin bijgestaan door de proost, die ook de materiële belangen behartigde. Aanvankelijk was de proost de vertegenwoordiger van de vader-abt. In het geval van Sint-Catharinadal was dat de prior-generaal van de orde, de abt van Prémontré. De vader-abt had het recht en de plicht tot visitatie en correctie van de kloosterlingen. (Voor een lijst van alle proosten: zie de bijlage.)
Overstroming
Het klooster bleef niet lang te Wouw gevestigd. Proost Van der Malen schrijft in de 17e eeuw: "Anno 1288 was ter eenen allegrooten watervloet, soo dat Lillo geheel onder water was, als wanneer ons clooster tot Woude met de wateren verdorven is geweest."
Uit andere historische bronnen is bekend dat er kort voor maart 1284 een dijkdoorbraak te Lillo plaatsvond. De overstromingen veroorzaakten zulke grote problemen dat de zusters gedwongen waren hun klooster te verlaten. Een historische bron wijst erop dat zij tijdelijk in Roosendaal gingen wonen.Naar Breda
Samengaan met gasthuis
In 1295 haalde Raso II van Gavere — heer van Breda van 1291 tot 1306 — het klooster naar Breda. Aangezien Sint-Catharinadal in de voorgaande jaren al veel bezittingen rondom Breda had verworven, was de stad een logische standplaats. In hetzelfde jaar besloot Raso II de goederen van Catharinadal samen te voegen met die van het stedelijke gasthuis. Dit gebeurde met instemming van de abt van Prémontré, het Generaal Kapittel, de proost en het stadsbestuur. Klooster en proost moesten voortaan ook de goederen van het gasthuis beheren.
Ontwikkeling van Breda in de 13e eeuw
Breda was aan het einde van de 13e eeuw een nog betrekkelijk jonge nederzetting. De stad was ontstaan bij een versterking die voor het eerst in 1198 als Castellum de Breda vermeld wordt, maar vermoedelijk veel ouder is. Deze versterking lag in de nabijheid van het huidige kasteel (op het terrein van de Koninklijke Militaire Academie) en was de machtsbasis van de heren van Breda. De ligging van Breda was gunstig: de stad lag langs de rivier de Mark, in het overgangsgebied tussen de hogere zandgronden in het zuiden en de natte veen- en kleigebieden van de Maasvallei in het noorden. Breda was daarmee de 'toegangspoort' tot het noordwestelijke deel van het hertogdom Brabant.
Door deze strategische ligging was het een ideale plaats om tol te heffen, wat de heren van Breda deden vanaf de tweede helft van de 12e eeuw. Om hun inkomsten verder te vergroten, stimuleerden zij de ontwikkeling van de nederzetting. In 1252 kreeg Breda stadsrechten. In de loop van de 13de eeuw werden havenfaciliteiten aangelegd en kreeg de stad een stadswal en stadsgracht. Rond 1267 werd een begijnhof gesticht. In 1303 werd aan de Grote Kerk een (seculier) kapittel verbonden. De vestiging van een klooster binnen de stad versterkte het stedelijk aanzien verder.
Het gasthuis te Breda
Het gasthuis dat samengevoegd werd met het klooster, lag net buiten de stadswal aan de Boschstraat, de oostelijke toegangsweg naar de stad. Het gasthuis wordt voor het eerst vermeld in 1246. In het begin zal het gasthuis multifunctioneel zijn geweest: het bood onderdak aan pelgrims en vreemdelingen en hield zich bezig met de verpleging van armen en zieken. Of de zusters van Sint-Catharinadal ook zelf in het gasthuis woonden, is niet duidelijk.
Nieuwe behuizing
Het samengaan van het gasthuis met het klooster was van korte duur. In 1308 werden beide weer van elkaar gescheiden. De precieze reden is niet bekend. Mogelijk was de beschouwende levenswijze van de zusters niet te verenigen met het verzorgende werk in het gasthuis.
Ook zijn er aanwijzingen dat vanuit Prémontré de teugels strakker werden aangetrokken. In die periode werd het kloosterslot versterkt: zusters en priorin mochten het klooster niet meer verlaten zonder goede reden, en buitenstaanders — vooral mannen — mochten het klooster niet meer betreden. Op 22 april 1308 werd de scheiding bekrachtigd door het stadsbestuur. Het enige wat bij de scheiding werd bepaald, was een recht van overpad: de zusters kregen een eigen uitweg langs de buitenzijde van de stadsgracht.
De beginperiode van Sint-Catharinadal: 1308–1463
Locatie
Het nieuwe klooster werd in 1308 of kort daarvoor net buiten de stad gebouwd, op de top van een dekzandrug. Wie vanaf de Oude Vest naar de Kloosterkazerne kijkt, kan de relatief hoge ligging nog steeds duidelijk waarnemen. In het noorden grensde Sint-Catharinadal aan het oude gasthuisterrein. Het gebied was voordien gedeeltelijk in gebruik als wei- of akkerland; bij het archeologisch onderzoek in 1993 kwamen aan de oostzijde sporen van greppels en akkers aan het licht.
De kloostergebouwen
In 1993 en 1994 werden op verschillende plaatsen in en naast de Kloosterkazerne opgravingen uitgevoerd, naar aanleiding van de bouw van het Chassé-theater en de herinrichting van de Kloosterkazerne. De gecombineerde resultaten leverden veel informatie op over de omvang en bouwgeschiedenis van Sint-Catharinadal.
De kloosterkerk
Het klooster lijkt vanaf het begin volgens een min of meer vierkant grondplan te zijn gebouwd — een zogeheten carré-vorm, waarbij hoofd- en bijgebouwen rond een pandhof zijn gerangschikt. Aan de noordzijde bevond zich de kerk, het belangrijkste gebouw.
Het huidige kerkgebouw is opgericht tussen 1500 en 1502. Bij de opgravingen werden funderingen van een 14de-eeuwse voorganger gevonden. Die oudste kerk was een eenvoudige zaalkerk van 28 meter lang en bijna 9 meter breed, zonder apart koorgedeelte.
De kerk had waarschijnlijk alleen steunberen op de hoeken. Daardoor waren slechts kleine vensteropeningen mogelijk, wat het gebouw kenmerken gaf van de Romaanse bouwstijl — opmerkelijk, want in de 14de eeuw werd al volop gotisch gebouwd.De westvleugel
Pal tegen de zuidkant van de kerk lag een grote westvleugel van 31 bij 10 meter, waarschijnlijk gelijktijdig met de kerk gebouwd. Uit 17de-eeuwse plattegronden valt op te maken dat zich daarin van noord naar zuid bevonden: het kapittel, de schrijfkamer en het convent (werkkamer). Op de eerste verdieping lag de dormter (slaapvertrekken).
De oostzijde
De oostzijde van het kloosterhof werd gevormd door een vakwerkgebouw. Aanwijzingen daarvoor zijn ondiepe funderingssporen en grote hoeveelheden verbrand vakwerk. In de nabijheid zijn sporen gevonden van een houten waterput en afvalkuilen, wat erop wijst dat hier de bedrijfsruimten waren.
De zuidzijde, kloostergang en kloostermuur
Aan de zuidzijde van de westvleugel stonden vermoedelijk bijgebouwen, waaronder de keuken — bevestigd door grote 14de-eeuwse afvalkuilen gevuld met keukenafval. Een smalle kloostergang aan de westzijde van het binnenplein verbond de westvleugel met de kerk. Het kloostercomplex werd met name aan de oost- en zuidzijde afgescheiden door een kloostermuur. De oostelijke muur is over de volledige lengte teruggevonden en dateert uit de 14de eeuw.
Vijver
Buiten de kloostermuur, aan de zuidoostzijde, bevond zich een grote ingraving van 21 bij 10 meter — vermoedelijk een vijver met houten beschoeiing en een steiger. De vijver werd in de eerste helft van de 16de eeuw gedempt, voorafgaand aan de bouw van een scheidingsmuur tussen het klooster en de stadswal.
Samenstelling en organisatie van het klooster
Aantal nonnen
De historische bronnen bevatten weinig informatie over het aantal kloosterbewoners vóór ca. 1450. In 1395 kregen de nonnen achttien kussens ten geschenke en in 1427 vierentwintig — wat een voorzichtige aanwijzing geeft over de omvang van de gemeenschap. Pas in 1463 is er een volledige opsomming: er verblijven dan 12 koorzusters. Dat is weinig, vergeleken met andere norbertinessenkloosters, waar het maximum soms op 27 of 30 koorzusters lag.
Gegoede afkomst
De nonnen van Sint-Catharinadal waren voor een belangrijk deel afkomstig uit de gegoede burgerij van Breda. Het gaat om families als Van Bergen, Block, Van den Camere, Bynstroe, Van Loenhout, Van Rijswijk, Sterkens en Van Wijfliet. Een enkeling was afkomstig uit de lokale adel (Van Breda, Van der Lek, Van Polanen).
Verdwijnen proost
Door hun hoge afkomst bezaten de priorinnen voldoende kennis over goederenbeheer om het klooster zelfstandig te besturen. De proost, die eigenlijk toezicht moest houden, bleef dat dan ook slechts tot 1330 doen. Daarna nam de priorin zijn taken over. Met het verdwijnen van de proost verzwakte ook de band met de premonstratenzerorde. Pas rond het midden van de 15de eeuw zijn er weer aanknopingspunten: een biechtvader nam de geestelijke taken van de proost over en er waren één of twee kapelaans in dienst.
Inkomsten klooster
De zusters haalden een deel van hun inkomsten uit renten op stadshuizen — verkregen door aankoop of schenking. Naast deze pachtopbrengsten waren de dotes de belangrijkste inkomstenbron: de middelen die iedere intredende zuster moest inbrengen. Sommige zusters hadden privé-eigendommen, wat in strijd was met de kloosterregel. Het betrof met name zusters uit hoge patriciërsgeslachten (Van der Cameren, Bynstroe, Van Oekele). Zij verwierven cijnzen en pachten en handelden er zelfstandig in. Bij de kloosterhervorming van 1463 werd dit verboden.
Begravingen
Bij de opgraving in de Kloosterkazerne werden op drie plaatsen graven onderzocht: in de kerk, in het noordelijk deel van het pandhof ten zuiden van de kerk, en in de kloostergang langs de westvleugel.
Lichtbruin: 14e-eeuwse kloosterkerk · Bruin: 16e-eeuwse kloosterkerk · Geel: opgegraven · Groen: graven 14e eeuw · Donkerbruin: graven 16e/17e eeuw · Omlijnd: grafkelders
Resten van graven
De overledenen waren allen begraven in een houten kist en bijgezet in een grafkuil. In de kerk werden ook drie gemetselde grafkelders gevonden, inwendig bepleisterd en beschilderd met rode kruisen. In 1673 werden deze grafkelders herontdekt, toen op instructie van de gouverneur van Breda 's nachts katholieken in de kloosterkerk werden begraven. Het klooster was toen tijdelijk teruggekeerd naar Breda vanwege onveiligheid rond Oosterhout.
In totaal werden ruim dertig begravingen aangetroffen — opmerkelijk weinig, gezien het aantal bewoners over meerdere eeuwen. Een verklaring is niet voorhanden, al wijzen schriftelijke bronnen op het grootschalig ruimen van graven bij de verhuizing naar Oosterhout in 1646.
Begrafenis van een zuster
Op woensdag 21 maart 1554 om 5 uur 's ochtends stierf zuster Margriet Adriaens. Zij was in 1499 kloosterzuster geworden. In de loop van de middag werd ze opgebaard op het koor, waar de boetpsalmen werden gezongen. De volgende dag, witte donderdag, begroef men haar om 2 uur 's middags. Op de maandag na beloken Pasen volgde een gezongen mis en een bezoek aan het graf. (Van der Malen p. 187)
Skeletten
Slechts een deel van de skeletten is onderzocht. Opmerkelijk is dat ook mannen in het klooster zijn begraven — meer dan de helft van de onderzochte skeletten waren mannen. Eén bijzonder geval betreft een dubbelgraf buiten de kerk, met een man en een vrouw die allebei een zogeheten kruisschedel hadden — een erfelijke schedelafwijking, wat op bloedverwantschap duidt.
De vrouwenskeletten in de kerk waren vermoedelijk nonnen. Ze werden gemiddeld 37 tot 61 jaar oud en hadden een gemiddelde lichaamslengte van circa 1,60 meter. Er werden relatief veel pathologische afwijkingen vastgesteld, waaronder rachitis, de ziekte van Forestier en gewrichtslijtage. Bij de meeste personen was ook cariës en tanduitval aanwezig.
De bloeitijd van Sint-Catharinadal: 1463–1531
De kloosterhervorming van 1463
Druk van abten
Hervormingen vonden vanaf het midden van de 15de eeuw veelvuldig in norbertijnenkloosters plaats. In 1451 vaardigde generaal-abt Johannes Agouet een bevelschrift uit tot reformatie. Afschaffing van privébezit en vernieuwing van het kloosterslot stonden centraal. Sint-Catharinadal kreeg in deze jaren menigmaal bezoek uit naburige kloosters en zelfs rechtstreeks vanuit Prémontré. Onder meer kwamen de abten van Sint-Michiels in Antwerpen (1454), de Sint-Cornelisabdij in Ninove (1454) en Berne bij Heusden (1457 of 1458) op bezoek.
Druk van de Nassaus
Ook de heer van Breda, Jan IV van Nassau (1410–1475), bemoeide zich actief met Sint-Catharinadal. Hij controleerde de rekeningen, leende het klooster geld en bezorgde de zusters turf. Na overleg met de abt van Berne stuurde hij een verzoekschrift aan de paus om hervorming te eisen. Hij schreef daarin dat de inkomsten van het klooster sterk achteruit waren gegaan en dat het klooster alleen dankzij zijn steun had kunnen blijven bestaan. In 1461 willigde paus Pius II zijn verzoek in.
Het controlelijstje van Mercelius van Macharen
Voordat de hervorming van start ging, bracht de abt van Berne Mercelius van Macharen in 1457 of 1458 een bezoek aan Sint-Catharinadal. Van zijn hand is een lijst bewaard gebleven van aandachtspunten bij de beoordeling van het kloosterleven. Alle zusters werden afzonderlijk ondervraagd over de vier hoofddeugden: eensgezindheid, gehoorzaamheid, kuisheid en armoede. Zijn lijst bevat onder andere de volgende vragen:
- Zijn er gasten die langer dan drie dagen blijven?
- Eten er wereldlijke personen vlees in het klooster, samen met de zusters?
- Worden de spreekvensters te vaak bezocht voor ijdele gesprekken of uit zwakte voor mannen?
- Is de kleding van de nonnen geplooid, zoals wereldlijke personen dragen?
- Hebben de zusters halskettingen, ringen of parfum?
- Worden de canonieke uren en de conventsmis wel gezongen?
- Slaapt men met meer personen in één bed?
- Zijn er geheime vertrekken waar men met elkaar omgang heeft?
- Maken de zusters iets voor zichzelf, zoals kussens geweven met goud, beurzen en dergelijke?
- Vinden er boertige dans- en toneeluitvoeringen plaats?
- Is er sprake van waarzeggerij, toverij of toverdranken?
De antwoorden zijn helaas niet bewaard gebleven.
Hervorming ingezet in 1462
In 1462 werden de voorbereidingen getroffen. Op 20 juni 1463 bezochten drie abten het klooster. De priorin Margriet van Ierseke en elf koorzusters werden in de kloosterkerk bijeengeroepen, waar een notaris de pauselijke bul voorlas.
De zusters kregen zes weken de tijd om te beslissen of ze op de nieuwe voorwaarden verder wilden leven. Uiteindelijk weken vier zusters uit naar andere kloosters. Acht zusters bleven en stemden in met de nieuwe regels.
De hervorming had haar doel niet gemist. Het aantal zusters steeg geleidelijk van een tiental in de beginjaren tot circa dertig aan het begin van de 16de eeuw. Het verbod op privébezit had als gevolg dat vrouwen van adellijke afkomst steeds minder toetraden.
Nieuwbouw en uitbreiding van de kloostergebouwen
Het groeiend aantal zusters, de aangescherpte regels en de terugkeer van de proost maakten uitbreiding van het complex noodzakelijk. Historische bronnen spreken over nieuwbouw van de refter, kloostergang, keuken, ziekenhuis, kapittelzaal en schrijfkamer. Het complex groeide van ca. 2900 m² naar ca. 3700 m².
Bouw nieuwe kloosterkerk
Het hoogtepunt was de bouw van een nieuwe kerk. In 1498 werden de voorbereidingen getroffen: ruim twee miljoen bakstenen en 12.600 plavuizen werden besteld. Op 8 februari 1501 legde priorin Adriana van der Veken de eerste steen. De kerk was reeds in 1502 voltooid.
De nieuwe kerk werd opgetrokken in de stijl van de Brabantse Gotiek, met witte natuursteen en grote vensters mogelijk gemaakt door steunberen. Het gebouw bestond uit zeven traveeën met een 3/8 koorsluiting en mat 36 × 10,5 meter. De vier westelijke traveeën waren verdeeld in een onder- en bovenkerk. De bovenverdieping — de 'nonnengalerij' — was uitsluitend bestemd voor de nonnen, die zo ongezien aan de mis konden deelnemen. De bouwmeester was Cornelis Joos, die in dezelfde periode ook aan de Grote Kerk van Breda werkte.
Interieur van de kloosterkerk
Het kerkinterieur is door opeenvolgende verbouwingen grotendeels onherkenbaar geworden, maar archieven geven enig beeld. In 1504 waren er drie altaren: het hoogaltaar ter ere van de Drievuldigheid en Catharina, een altaar ter ere van Maria en Michaël, en een derde ter ere van het H. Kruis en Augustinus. In 1527–28 werd een orgel geplaatst. Engelbrecht van Nassau schonk twee zetels voor het koorgestoelte waarop hij en zijn vrouw waren afgebeeld, en later twee gebrandschilderde ramen voor het koor. In het koor bevond zich ook een venster met 'graaf Jan I' — vermoedelijk Jan IV van Nassau — bij een voorstelling van de kruisiging.
De proosdij
In 1483 werd een nieuwe proosdij gebouwd aan de oostzijde van de kloosterkerk, buiten de oorspronkelijke begrenzing van het complex. Bij de grote stadsbrand van 1534 brandde een deel af en werd daarna op dezelfde plaats herbouwd.
De proosdij had aanvankelijk een L-vormig plattegrond. Op de eerste verdieping richtten de zusters later een schoollokaal in. Op de plaats van de middeleeuwse proosdij bevindt zich nu de 19de-eeuwse oostvleugel van de Kloosterkazerne.
Westvleugel, ziekenhuis en gastenverblijf
In 1469 werden een nieuwe keuken en refter aan de westvleugel toegevoegd. In 1480 volgde een ziekenhuis voor zieke nonnen. In 1520 werd het ziekenhuis in brand gestoken in verband met de pest en daarna opnieuw opgebouwd. Een gastenverblijf wordt voor het eerst in 1515 genoemd. Het gebouw mat 16 bij 6 meter en is zichtbaar op 17de-eeuwse kaarten van het klooster. Het complex had ook een buitenhof met brouwerij, pachthuis, beestenstal, rosmolen (1453) en duifhuis (1500).
Nadagen te Breda: 1531–1647
Aanleg van een nieuwe stadsomwalling
De eerste problemen kwamen voort uit de plannen van graaf Hendrik III van Nassau (1483–1538). Met een nieuwe stadsversterking maakte hij Breda tot een moderne vestingstad, omgeven door een aarden omwalling met bastions naar het Oud-Italiaanse model. Breda was de eerste stad in de Nederlanden met een dergelijke omwalling.
Met de aanleg tussen 1531 en 1545 kwamen Sint-Catharinadal en zijn gronden binnen de stad te liggen. De stad onteigenden gronden ten zuiden en ten westen van het kloostercomplex, waaronder het zogeheten Nonnenveld. De talrijke protesten van het klooster mochten niet baten. Als reactie lieten de nonnen rondom hun kloostergoed een muur bouwen, die tegen de binnenzijde van de stadswal werd opgetrokken.
Stadsbrand 1534
Tijdens de stadsbrand van 1534, waarbij een groot deel van Breda in vlammen opging, liep Sint-Catharinadal ook schade op. De kerk en de dormter bleven gespaard, maar de proosdij en verscheidene bedrijfsgebouwen brandden af.
Na de brand werd een inventarisatie gemaakt van de schade:
Dese huysen syn metten brande in ons cloester afgebornt. Inden yersten die zaelde met een camer met die spreeckhuzen buyten ende binnen, twee kelders vol biers, ende voerts alle die biertonnen, die terwe opten solder, het meel, het mout, dat tenelwerck, dat lynwaet van buyten ende voer die gasten (…).
Item ons confessoers huys met der cappelanen camer, daer al des cloesters studeer boecken in waren, ende vj silveren lepelen (…).
Item dat convents sieckhuys, dat wasch huys, dat beckhuys (…).
Item die hoey schuur, de ckoren schuer, al vol met die gonst van ckoren, gerste, havere end hey van xvij bunderen lants.
Item een schoen groet vee huys daer wel bij vijftig beesten in gestaen souden hebben (…).
Naast de directe brandschade ondervond het klooster hinder van de tijdelijke opheffing van de cijnsplicht door Hendrik III na de brand. Het klooster ontving veel cijnzen uit stadshuizen en zag zijn inkomsten daardoor sterk teruglopen.
Tijd van de Reformatie
Naast de dalende cijnsinkomsten ontving het klooster ook steeds minder schenkingen. Het was de tijd van de Reformatie, waarbij de macht van de katholieke kerk steeds meer ter discussie werd gesteld.
Om de financiële schade te beperken, openden de zusters vanaf het midden van de 16de eeuw een kloosterschool op de eerste verdieping van de proosdij. In 1556 richtten zuster Magdalena Lamier en Jacobina van Rosenbos een Franse school op voor meisjes uit de gegoede stand. De school bedroop zichzelf en droeg geld af aan het klooster.
Beeldenstorm
Het verzet tegen de katholieke kerk barstte los in de Beeldenstorm van 1566. Ook Sint-Catharinadal bleef niet gespaard. Hoewel veel waardevolle voorwerpen kort daarvoor in veiligheid waren gebracht in Dordrecht, richtten de beeldenstormers op 22 augustus 1566 grote schade aan.
De dormter, de refter en de keuken werden geplunderd. Alle cellen werden doorzocht en deuren kapotgeslagen. In de kerk werden orgelpijpen kapotgegooid en het oksaal vernield. Proost Van der Malen schrijft dat zij "bedreven alle raselentie, die den duyvel hen innen gaf."
Beleg en Contrareformatie
Kort na de Beeldenstorm brak de Tachtigjarige Oorlog uit (1568–1648). Door de list met het turfschip kwam Breda in 1590 in Staatse handen. De kloosterkerk mocht vanaf dat moment niet meer worden gebruikt voor katholieke erediensten.
Het aantal zusters zakte tussen 1590 en 1620 van ongeveer 20 naar slechts 2, mede door ziekte-epidemieën. Het absolute dieptepunt werd bereikt in 1625: in het klooster woonde alleen nog de priorin Johanna van der Stegen. Indien zij was gestorven, zou het klooster zijn opgeheven en de goederen zijn overgegaan naar de Nassause domeingoederen.
Personeel op het klooster
Minder inkomsten betekende minder zusters, maar het grote kloostercomplex moest toch beheerd worden. Voor het jaar 1614 zijn de personeelskosten goed gedocumenteerd:
- Merten Adriaensen, rentmeester — 100 Rijnse guldens (R.g.)
- Wouter, bouknecht (gebouwonderhoud) — 57 R.g. en kleding
- Jacob, knecht — 51 R.g. en kleding
- Jost, koeienknecht — 10 R.g. en kleding
- Neelken Lambrechs — 4 R.g.
- Katheryn, kok — 18 R.g. en kleding waaronder twee schorten
- Neelken Jansen, joncwyf — 18 R.g. en kleding waaronder twee halsdoeken
- Lysken, jonckwyf — 21 R.g. en kleding
- Zorg voor de paarden — 19 R.g.
- Priesters voor kerkelijke diensten — 66 R.g.
Op Witte Donderdag kreeg het personeel 6 kruiken wijn (2 R.g.).
Donkerbruine muren: opgegraven funderingen · Lichtbruine muren: reconstructie · A = kloosterkerk · B = westvleugel · D = kloostermuur · E = keuken, refter en ziekenhuis · F = proosdij
In 1625 veroverde Spinola Breda en kregen de katholieken meer vrijheid. Drie zusters van het norbertinessenklooster Besloten-Hof te Herentals kwamen de contrareformatorische ideeën vorm geven. In 1630 telde het klooster dertien zusters, in 1636 al twintig.
Naar Oosterhout
De toenemende druk van het stadsbestuur en de protestanten, alsook de overlast van soldaten in nabijgelegen barakken, deden de proost inzien dat de nonnen hun heil beter buiten de stad konden zoeken. In 1644–1645 verzocht de proost prins Frederik Hendrik toestemming te verlenen om het klooster te verplaatsen naar Oosterhout. Die toestemming kreeg hij, op voorwaarde dat het Bredase complex aan de prins zou vervallen. Afgesproken werd dat het klooster in tijden van nood terug mocht keren naar de proosdij als refugiehuis.
De hervormden drongen in 1646 aan op de stichting van een Illustre School in de kloostergebouwen. De nonnen vertrokken nog datzelfde jaar en betrokken tijdelijk een woning elders in de stad. De eerste nonnen vertrokken op 15 juni 1647 naar Oosterhout; de laatste arriveerden op 16 oktober van dat jaar. De proost had in Oosterhout het kasteeltje 'De Blauwe Camer' (gebouwd ca. 1400) voor hen aangekocht en er een eenvoudig klooster omheen aangelegd. De zusters van Sint-Catharinadal wonen hier tot op de dag van vandaag.
Stichting van filialen
Doordat Catharinadal opnieuw nieuwe novicen mocht aannemen, kwamen er mogelijkheden om nieuwe kloosters te stichten. De geschiedenis na 1647 is hoofdzakelijk gebaseerd op: A. Commissaris, Schets ener geschiedenis van het oudste klooster in Nederland, Breda 1947.
Antwerpen
Rond 1646 achtte proost Balthazar Cruyt het raadzaam buiten protestant gebied een refugiehuis te stichten. Zijn keus viel op Antwerpen, al verlangde de Sint-Michielsabdij dat het nieuwe klooster — genaamd het Sacramentshuis — onder haar gezag zou vallen. Vier zusters uit Catharinadal gingen in 1649 over naar Antwerpen, waaronder priorin Catharina Snijders. Het Sacramentshuis werd eind 18e eeuw opgeheven door keizer Joseph II.
Neerpelt
Rond 1850 ontving het klooster een schenking uit het Belgische Neerpelt: grond en een woning, op voorwaarde dat Catharinadal daar een kosteloze school voor meisjes zou stichten. In 1857 gingen de eerste zusters naar Neerpelt. Proost Brouwers bepaalde dat de rector van Neerpelt altijd een vicaris van Catharinadal zou zijn, zodat de proost supervisie behield. Vanaf 1920 werd Neerpelt, na een boedelscheiding, geheel zelfstandig.
Petropolis (Brazilië)
Het initiatief voor deze stichting kwam van de missie-afdeling van het klooster Averbode. Als vestigingsplaats werd Petropolis gekozen, in de omgeving van Rio de Janeiro. In 1931 vertrokken 10 zusters van Catharinadal, waaronder de eerste priorin Catharina Sweere. Petropolis bleek echter niet levensvatbaar en is inmiddels opgeheven. De zusters zijn teruggekeerd naar Oosterhout.
Tijdelijk weer in Breda 1672–1679
Het klooster startte te Oosterhout in grote armoede. De aankoop van De Blauwe Camer en de bouw hadden 30.000 gulden gekost, de stichting van het Sacramentshuis had zware offers gevraagd en de inkomsten van de Franse school waren weggevallen. Proost Assels zag zijn kans bij de inval van de Fransen in 1672. Met toestemming van de gouverneur van Breda en de Nassau's keerde het klooster tijdelijk terug naar de oude gebouwen. Maar de protestante inwoners ageerden direct en kregen gehoor in Den Haag. Assels stierf als een gebroken man.
Zijn opvolger, proost Van der Malen, probeerde het tij nog te keren. De druk van de predikanten werd echter te groot. Begin 1679 kreeg Van der Malen opdracht terug te keren naar Oosterhout. Op 12 augustus 1679 verlieten de proost en de laatste zusters 'het oude clooster' om er nooit meer terug te keren. In Oosterhout reorganiseerde Van der Malen de kloosteradministratie en begon als eerste de kloostergeschiedenis op te tekenen. Zijn aantekeningen, bewaard in een folioband, vormen nog steeds een belangrijke bron voor historici.
Napoleontische tijd en daarna
Na de Franse revolutie verdwenen in Frankrijk en België alle kloosters. Napoleon zette deze politiek voort, maar werd later wat milder voor kloosters die zich wijdden aan zorg en onderwijs. Een keizerlijk decreet uit 1809 legde dit vast. Toen Nederland in 1810 bij Frankrijk werd ingelijfd, richtten de zusters van Catharinadal een armenschooltje in om voor erkenning in aanmerking te komen. Het aantal zusters werd gemaximeerd op 20 — gelijk aan het toenmalige aantal. Na het vertrek van de Fransen werd dit uitgebreid tot 29.
Godsdienstvrijheid
Met koning Willem II (1840–1849) braken betere tijden aan. Catharinadal kreeg in 1841 toestemming om onbeperkt nieuwe zusters aan te nemen. Met de grondwet van 1848 kwamen godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging.
Onder de orde
Rond het midden van de 19e eeuw herrezen de Brabantse Norbertijnerabdijen. In 1883 kwam voor het eerst weer een generaal kapittel bijeen, in Wenen. Er werd een motie aangenomen om de vrouwenkloosters onder de rechtsmacht van de orde te brengen. De eerste helft van de 19e eeuw was Catharinadal in een machtsvacuüm terechtgekomen. De abdij van Prémontré was door de Franse revolutie opgeheven; Rome had in 1831 de bisschop van Breda aangewezen als toezichthouder. Het klooster probeerde zijn gezag zoveel mogelijk buiten te houden.
De strijd om het gezag barstte goed los onder proost Franciscus Brouwers, geïnstalleerd in 1837. Hij leed aan een vastenmanie en voerde in 1861 in dat er nog maar één maaltijd per dag mocht worden genuttigd, om vijf uur 's middags. Na een escalerende strijd waarbij de paus, de aartsbisschop van Utrecht, de bisschop van Breda en een pauselijke internuntius betrokken raakten, werd Brouwers op 22 april 1862 afgezet door aartsbisschop Zwijsen. Hij overleed in 1866 te Rome.
Na 1883 probeerde vicaris-generaal De Swert Catharinadal onder de orde te brengen, maar stuitte op verzet van de bisschop van Breda. Pas proost Van Reeth — aangesteld in 1922 en afkomstig van de abdij Tongerloo — slaagde er met steun van bisschop Hopmans in. Op 1 september 1928 werd vastgelegd dat Catharinadal voortaan onder de rechtsmacht van de abt van Tongerloo viel als vader-abt. Op 1 juni 1929 werd dr. Lamy, abt van Tongerloo, te Oosterhout geïnstalleerd als vader-abt van Catharinadal.